Geschiedenis ACOD

Gepubliceerd: maandag 02 oktober 2006
Geschiedenis
Historiek        ( Bron: ACOD.be )

1789-1875
1876-1898
1899-1914
1915-1944
1945- vandaag

Ontstaan van de ACOD

Tot in 1910 is de geschiedenis van de ACOD nauw verbonden met die van de Syndicale Commissie van de Belgische Werkliedenpartij.

Voor 1908 was er geen verenigingsrecht voor de werknemers van de openbare diensten.
Tussen 1908 en 1921 (jaar waarin de vrijheid van vereniging daadwerkelijk wordt erkend) en tussen de twee wereldoorlogen vormen de meeste vakbonden, aangesloten bij syndicale commissie, « nationale centrales ».

De werknemers van de openbare diensten waren verenigd in de volgende nationale centrales:

  • De centrale der openbare diensten, samengesteld uit werknemers van de gemeente- en provinciediensten en geconcedeerde diensten (eerste vakbond gesticht in 1912)
  • Het nationaal syndicaat dat bestond uit werknemers van de spoorwegen, post-telegraaf en telefonie, de burgerlijke zeevaart en luchtvaart (SPTTZL)
  • Het nationaal syndicaat van het departement Financiën
  • De Belgische Centrale van het personeel van de tram, buurtspoorwegen en bussen
  • De Belgische Centrale der Werknemers der Openbare Diensten groepeerde de werknemers van de ministeries, provincies, gemeenten, gas en elektriciteit
  • De Centrale van het Socialistisch Onderwijzend Personeel voor de leerkrachten
  • En het Nationaal Syndicaat van het burgerpersoneel van landsverdediging

Deze organisaties waren aangesloten bij het Belgisch Vakverbond en vormden vanaf 1922 de Intersyndicale der Belgische Openbare Diensten.

In 1945 besloten ze samen te smelten en hun krachten te bundelen in de Centrale, zoals we die vandaag nog kennen: de algemene centrale der openbare diensten, de ACOD.

Geschiedenis

De geschiedenis van de ACOD is verweven met die van de hele arbeiderswereld.

Van 1789 tot 1875

Voor 1800 waren er slechts ambachtelijke arbeid, gilden, en gezellenverenigingen, maar geen echte beroepsorganisaties.

De uitvinding van de stoommachine ( geïntroduceerd in Belgiê in 1735) liet toe andere productiemethodes te gebruiken. De mechanisering doet alzo zijn intrede. De bedrijven tellen minder arbeiders. De werk- en leefomstandigheden zijn onmenselijk.

1789: Brabantse Omwenteling: enkel de gezellenverenigingen ijveren voor loonsverhogingen, arbeidsduurvermindering en betaling van overuren.

De Wet le Chapelier van 1791 verbiedt iedere bijeenkomst van ambachtslui, zowel van patroons als van werklieden ,evenals iedere vereniging en ieder verbond.
Op het vlak van het loon voorziet de wet dat «de patroon op zijn woord wordt geloofd!». Toch ontstaan al vlug verenigingen, die zich willen beschermen tegen het patronaat. Ze zijn echter het verlengstuk van de vroegere gezellenverenigingen, weliswaar met een veel verder doorgedreven sociale bewogenheid en solidariteit (drukkers in Gent – 1810, schoenmakers van Izegem - 1807, katoenspinners van Gent - 1810, gezellenverenigingen van drukkers in Brussel – 1816, enz.).

In 1802 wordt het arbeidersboekje verplicht, een echte werkvergunning, die volledig aan de beoordeling van de patroon wordt overgelaten.
In 1813 wordt de minimumleeftijd voor kinderarbeid in de mijnen op 10 jaar gebracht.

In 1841 wordt de vakbond voor de mijnwerkers van le Centre (Henegouwen) in het leven geroepen.

Officieel wordt aangenomen dat de eertse syndicale beroepsorgnisaties – de syndicaten tegen de uitbuiting – vanaf 1842 werden opgericht.

1849:

eerste georganiseerde staking van de textielarbeiders in Gent

1859:

Economische crisis
Eerste fabrieksarbeiderssyndicaat van wevers en spinners te Gent
Vereniging van een aantal ziekenfondsen uit de ambachtswereld en poging tot het oprichten van vakverenigingen in Brussel.
Metaalwerkersbonden komen tot stand.

1860:

Metaalwerkersbonden verenigen zich in de Werkersbond

1864:

In Londen wordt de eerste internationale opgericht: AIT (Association Internationale des Travailleurs - het internationaal arbeidersverbond)

1865:

In Verviers wordt de Belgische afdeling van de Eerste Internationale opgericht. Haar propagandisten dragen bij tot het verspreiden van socialiserende indeeën en liggen aan de basis van allerlei syndicale initiatieven.

Al deze bewegingen zijn dikwijls een kort leven beschoren. De tegenstand van het patronaat is sterk en dikwijls grijpt de rijkswacht of het leger in.

Van 1876 tot 1898

1880:

Eerste socialistische gemeenteraadsleden worden verkozen te Brussel.

1885:

Oprichting van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Vanaf nu streeft de BWP onophoudelijk naar de oprichting van meer vakbonden en tracht ze vooral deze bewegingen te centraliseren.

1886:

Grote opstand in Luik, algemene staking en opsluiting in de gevangenis van de voormannen.
Alfred De Fuisseaux publiceert zijn «Catéchisme du peuple» (260.000 exemplaren) teneinde de arbeiders aan te sporen zich te verenigen om het universeel stemrecht te bekomen.

1888:

Wet tot invoering van de arbeidsinspectie

1889:

Beperking van vrouwen- en kinderarbeid

1890:

Viering van het Feest van de Arbeid
In België wordt deze dag slechts in 1947 een feestdag

1893:

Na een zeer harde staking van de BWP (13 arbeiders schieten het leven erbij in ): wet op het meervoudig stemrecht.

1894:

Beginselverklaring (charter) van Quaregnon.
Verkiezing van 28 socialistische volksvertegenwoordigers

1895:

Wet op de ziekenfondsen

1896:

Verplicht werkhuisreglement

1898:

Wet op de beroepsverenigingen: deze wet bepaalt onder welke voor-waarden de vakbonden rechtpersoonlijkheid kunnen bekomen. Ze ontmantelt niet alleen de BWP, maar ook de reeds bestaande vak-bonden. De BWP weigert de rechtspersoonlijkheid. Ondertussen winnen de socialistische voormannen aan invloed en onder hun druk wordt een begin gemaakt met wat we nu als sociale wetgeving kennen.
Het Congres van de BWP ( Verviers) beslist tot de oprichting van een commissie van syndicaten.

1899 tot 1914.

1900:

Eerste verkiezingen volgens het systeem der evenredige vertegen-woordiging

1904:

Kerstmiscongres: tot dan toe is de invloed van de BWP op de syndi-cale commissie zeer groot. Vanaf nu verkiezen de syndicalisten zelf de leden van hun bureau.

1905:

De zondagrust wordt ingevoerd.

1906:

De syndicale congressen van deze jaren stellen nieuwe statuten voor en de niet bij de BWP aangesloten vakbonden bekomen voordelen inzake vertegenwoordiging in het bureau.
De syndicale commissie verandert in de «Syndicale Commissie van de BWP en de onafhankelijke vakbonden» en onderstreept hiermee haar onafhankelijkheid ten opzichte van de partij.

1908:

Oprichting van het Algemeen Christelijk Vakverbond door Pater Rutten.

1909:

de arbeidsduur in de mijnen wordt tot 9uur per dag beperkt.

1914:

Wet op de leerplicht van 6 tot 14 jaar

Van 1915 tot 1944

1914 – 1918:

Eerste Wereldoorlog

1917:

Russische Revolutie : de » arbeiders » grijpen de macht. Deze revolutie tekent de eerste ervaring van een socialistische staat

1918:

wettelijke 8-urendag, syndicale vrijheid , Nationale Maat-schappij voor goedkope woningen.

1919:

De BWP stuurt 70 volksvertegenwoordigers naar de Kamer en het algemeen enkelvoudig stemrecht wordt ingevoerd voor de mannen. (de vrouwen moeten nog tot in 1948 wachten).

1921

Invoering van de 8-urenwerkdag
De vrijheid van vereniging wordt wettelijk toegestaan; hiermee is de erkenning van de vakbonden een feit.
De brede waaier van grote, maar vooral van kleinere organi-saties wordt in nationaal verband gestructureerd en herleid tot 31 nationale vakcentrales (24 in 1937 en 16 in 1946). De syndicale beweging groeit van 129.000 leden in 1914 tot 690.000 leden in 1921.

1924:

Het ouderdomspensioen wordt erkend.

1925:

In iedere gemeente wordt een Commissie Openbare Onder-stand in het leven geroepen ( in 1976 wordt dit het OCMW)

1928:

De indexering wordt toegepast

1929:

De grote crisis

1930:

De kinderbijslag wordt verplicht

1933:

In Duitsland komt Hitler aan de macht.

1935:

De Nationale Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Werkloos-heid wordt ingevoerd.
Schoolplicht tot 16 jaar.

1936:

Na een algemene staking, die 1,5 miljoen mensen mobiliseert, wordt het eerste betaalde verlof van een week ingevoerd.
40-urenweek in de mijnen.
De Nationale arbeidsconferentie (NAC) komt tot stand

1937:

Plan De Man (plan voor de arbeid): het socialistische alternatief om de economische crisis te bestrijden.
In december wordt de Syndicale Commissie omgevormd tot het Belgisch Vakverbond (BVV). Meer dan zomaar een naamswijziging, want het houdt een nieuwe opvatting in van de syndicale organisatie,die zich definitief losmaakt van de politieke beweging.

1940:

Tweede Wereldoorlog:
De activiteiten zijn beperkt aangezien stakingen verboden zijn en de politieke activiteiten beteugeld. Leiders van het BVV en militanten richten in het geheim comités op, die het nazisme bestrijden.
Achter de schermen worden contacten gelegd met het oog op de oprichting van een enkele grote vakbond, die eveneens het personeel van de openbare diensten zou vertegenwoordigen.

1942:

De onderwijzers, postmannen en ambtenaren richten in het geheim het Algemeen Syndicaat der Openbare Diensten (ASOD) op.

Van 1945 tot vandaag

1945:

In april wordt het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) opgericht.
Op 18 augustus 1945 smelten de vakbonden van het personeel van de openbare diensten samen in een grote centrale: de Algemene Centrale der Openbare Diensten – de huidige ACOD – die zich voor-ziet van een beginselverklaring.

1948:

De vrouwen krijgen stemrecht.

1950:

De Koningskwestie geeft de aanzet tot de federalistische beweging, die op syndicaal vlak door de Luikse syndicalist André Renard wordt gevoerd.
De volgende jaren worden vooral gekenmerkt door het tot stand komen van de sociale zekerheid en de ontwikeling van het sociaal overleg. De vakbond beschikt over een eigen socio-economisch pro-gramma, dat een doorslaggevende rol toebedeelt aan de overheden.

1960:

De staking van de eeuw tegen de eenheidswet wordt op gang getrok-ken en sterk opgevolgd in de openbare diensten, want de wet wil een soberheidsbeleid invoeren en houdt een bedreiging in voor de pen-sioenen van de personeelsleden van de openbare diensten. Hoewel deze staking de impact van de wet afzwakt, kan ze evenwel niet alle gevolgen ervan uitwissen.
Deze staking neemt al vlug een federalistische wending en de regio-naliseringswetten van 1980, 1988 en 1993 zullen deze verzuchtin-gen waarmaken.

De tien volgende jaren worden de «Golden Sixties» genoemd. Alles gaat erop vooruit en de gebeurtenissen van mei 1968 brengen een andere maatschappijopvatting, een andere manier van denken en handelen met zich.

1973:

Het begin van de economische crisis. De olieprijs blijft stijgen. Bedrijven gaan over kop en de staatsschuld bereikt een nooit geziene omvang.

1980:

De regionaliseringswetten.
het Waalse en het Vlaamse gewest worden geboren.

1983:

Doorbraak van het neoliberalisme in heel Europa.
In september algemene staking in de openbare diensten tegen het soberheidsbeleid van de CVP-VLD-PRL-PSC-regering.
De opeenvolgende regeringen Martens gebruiken de afbouw van de verworvenheden van de sociale zekerheid als excuus om de staatsschuld te verlichten. De hoge werkloosheid blijft evenwel en de koopkracht neemt voortdurend af. Bedrijven blijven de boeken neerleggen en de staatsschuld neemt slechts in geringe mate af.

1986:

In mei staken de werknemers van de openbare diensten tegen de saneringsmaatregelen waartoe de regering met volmachten beslist.

1988:

Brussel wordt een volwaardig Gewest.
De Gewesten krijgen nieuwe bevoegdheden.
De regerings- en koerswisseling doet de hoop weer rijzen en er komt een kortstondige opleving met een lichte daling van de werkloosheid. De nieuwe technologieën, de veranderende denkwijze van het kapi-taal, de eenmaking van de Europese markt leiden een periode in van «behouden wat is verworven». Terwijl de arbeider vroeger werd uitgebuit door het patronaat, wordt hij nu selectief uitgesloten door het kapitaal.

1989:

De Unie der Socialistische Sovjetrepublieken spat uiteen.

1993:

Nieuwe fase in de staatshervorming: België is een federale staat.

En vandaag ?

Dankzij de strijd van de Belgische werknemers, maar ook dankzij gelijkaardige strijd in tal van andere landen, zijn de sociale betrekkingen veranderd.

In ons land zijn de vakorganisaties wettelijk erkend, waardoor ze, naast de patronale wereld en de politieke overheden, het recht hebben in de schoot van allerlei instanties overleg te plegen en te onderhandelen.

Toch blijven vandaag nog tal van arbeiders en bedienden uitgesloten. Door nieuwe behoeften en nieuwe industriële technieken blijft de werkloosheid alsmaar toenemen. De sociale zekerheid wordt opnieuw bedreigd en het patronaat en bepaalde stromingen van politiek rechts trachten de arbeiders en bedienden te dwingen tot een vierdagenweek met loonverlies, eerder dan de eisen van het ABVV in overweging te nemen, eisen, die de arbeidsduurvermindering en compenserende aanwervingen beogen.